Als kind was ik al bang voor vogels. Hoe die angst is ontstaan, geen flauw idee. Mijn moeder vertelde mij ooit dat ik als
2-jarige ben gepikt door een zwaan maar ik kan mij daar niets van herinneren.

De laatste jaren interesseer ik mij steeds meer voor vogels en onze tuin heb ik vogelvriendelijk gemaakt. Dagelijks komen er musjes en meesjes in de tuin om te eten of te douchen. Het is vertederend om te zien. En inderdaad kleine vogeltjes.De grote vogels jaag ik, of Joep, weg. Die zijn voor mij nog te beangstigend.
Het gefladder en die grote vleugels, brrr doodeng! En hoe groter de vogel hoe puntiger de snavel.

Het is een zonnige middag in september. Zo’n moment om in de auto te stappen en de camera mee te nemen. Ik las over een vogelkijkhut in Oranje, een dorpje in Drenthe en wilde daar eens kijken. Onderweg zie ik dat de bomen beginnen te verkleuren en paddenstoelen ploppen overal naar boven. De herfst kondigt zich aan.In de verte zie ik een veld met goudsbloemen. Oranje bloemen in Oranje.
Ik moet daar een foto van maken, maar eerst de vogelhut opzoeken.

Aangekomen bij de vogelhut laat ik de auto achter en loop een 162 meter lange donkere tunnel in. In elke hoek spinnenwebben en om de paar meter, kleine smerige luikjes waar een streepje licht doorschijnt. Het ruikt muf. Dan kom ik bij een trap.
Ik wentel mij naar de eerste verdieping en ook daar is het pikkedonker. Ik ga op de tast op zoek naar een raampje. De stenen voelen ijskoud aan. Ineens voel ik het luikje en open het voorzichtig: Stel dat er een vogel naar binnen vliegt……..Jakkes, ik moet er niet aandenken.

Als ik het luik open zie ik struiken, bomen en gras, alles behalve vogels.
Zou ik hier op een verkeerd tijdstip zijn, slapen de vogels, is het te warm?
Ik heb geen idee. Ik zit een paar minuten in stilte met de fotocamera op schoot. Dan hoor ik opeens voetstappen beneden in de tunnel.

“O jee wie komt er aan, ik zit hier in mijn eentje.” Allerlei krantenkoppen vliegen door mijn hoofd. “Vrouw vermoord in vogelkijkhut Oranje. Vrouw ligt dagen dood in Vogelkijkhut.” Mijn ogen blijven strak gericht op de trap. Mijn camera heb ik als wapen in de aanslag. Mijn hart klopt in mijn keel.

Een oudere meneer met een alpinopet op stapt naar binnen. Hij groet mij vriendelijk en gaat naast mij zitten. Mijn angst is meteen over. Hij haalt een kleine verrekijker uit zijn binnenzak. Ook hij ziet geen vogels. Wel een uitkijkpost.
“Wil je ook even kijken”, vraagt hij. Ja, dat wil ik wel. Hij vertelt dat hij deze verrekijker van zijn kinderen heeft gekregen en erg handig is, “Het past precies in mijn jaszak en dan hoef ik geen tas mee te nemen.” Hij komt op de fiets, 40 kilometer heen en ook weer terug. Ik vertel hem maar niet dat ik datzelfde stuk met de auto heb gereden.
Hij vindt het prachtig om zijn ontdekkingen te vertellen. Hij vertelt hoe hij reeën, vossen en dassen kan vinden. “Dat zie ik aan de nesten of tunnels die ze graven”. Hij glundert. Zo zitten we schouder aan schouder op een klein gammel houten bankje.

Dan horen we iemand de trap opkomen. Een meneer in een camouflagepak en een enorme rugzak op stampt naar binnen. Hij groet ons, opent meerdere luiken en kijkt rond, “Geen vogel te zien,” zegt hij. “Het is de droogte, vogels hebben hier niks meer te zoeken. Hij praat verder. “Ik ben vogelteller en kom hier regelmatig, de laatste 2 jaar is het te droog en dat brengt veel schade met zich mee. Het zijn vloeivelden, die vroeger gezamenlijk door de boeren zijn gekocht”, vertelt hij “en nu zoeken ze naar oplossingen om hier weer water te krijgen.” Het alpinopet-mannetje naast me vertelt over zijn ervaringen, maar de vogelteller is niet geïnteresseerd. Hij vertelt liever over zijn eigen missie, vogels tellen. De oude man kijkt als een jongetje naar de vogelteller op. Bijna aanbiddend.

We hebben het wel gezien. Of eigenlijk niet. We lopen met z’n 3-en via de tunnel de frisse lucht tegemoet.
De vogelteller wijst mij op een plek om te bezoeken waar wel water ligt en veel soorten vogels te zien zijn. Ik wil graag “vreemde” vogels zien en loop hun richting op.
De mannen zie ik zwoegend tegen de wind in fietsen.

Ik bedenk mij dat ik dit vaker moet doen, want dit zijn de verhalen.
Wat een informatie kreeg ik van deze 2 mannen. Hier word ik gelukkig van. Dit is waar ik graag over wil schrijven.
Zo hoop ik de lezer te raken en misschien dat ze iets herkennen in mijn verhalen.

Aangekomen bij de volgende plek ontdek ik een waar vogelparadijs. Achter een kijkwand kijk ik over een groot gebied, met meerdere soorten vogels. Ik herken er een paar. Zilverreigers, zwanen, ganzen en kieviten zie ik vliegen en zwemmen. Een verrekijker is eigenlijk nodig om ze goed te bekijken, maar die heb ik niet.
Naast mij staat een meneer met een telescoop camera. Zijn poedel ligt relaxed naast ons in het gras op een stok te kauwen. De man zegt: “Er komt een visarend onze kant op vliegen”. Ik zie hem nog net het water in plonzen. Wauw!
Ik maak een foto van zijn plons en ook wanneer hij wegvliegt. Wat een geluk dat ik deze meneer tref op dit moment, anders had ik niet geweten dat dit de zeldzame visarend was.

In een uur tijd, op maar een half uur rijden van huis, ontdekte ik deze bijzondere plek.
Ik genoot van de enthousiaste verhalen van de drie mannen.
Op deze plek vond ik de rust om te aanschouwen wat er gebeurde rondom het water en hoor prachtige vogels kwetteren.
Zo’n middag waarbij ik geen idee heb hoe laat het is.
Door de ruimte en de rust kom ik tot bezinning.
Wat is onze natuur mooi en wat is er veel te ontdekken in deze omgeving.
De angst voor vogels wordt elke keer een beetje minder.